Waterkampioen watersport magazine

Wie zal dat betalen?

Het zal je maar gebeuren: je treft de boot in de haven niet óp maar onder water aan? Gelukkig ben je verzekerd… maar keert de verzekeraar ook in alle gevallen uit? Heb je de polis goed gelezen? advocaat Frits Hommersom zet de belangrijkste schadezaken op een rij.

Bij een tochtje over het IJsselmeer word je midscheeps geramd door een ander schip. De motorsloep die altijd veilig was afgemeerd blijkt gestolen. Of je vaart in al je enthousiasme onder de brug je stuurhut eraf. Gelukkig ben je verzekerd, toch? Bijna iedere bootbezitter heeft een meer of minder uitgebreide watersportverzekering ten behoeve van zijn grootste hobby. Er bestaan meerdere verzekeringsvormen waarbij de verschillen vooral liggen in de omvang van wat wordt gedekt. Iedere verzekeraar hanteert bijzondere clausules waarmee de zogenaamde dekkingsomvang wordt bepaald. Sommige polissen hebben een zeer uitgebreide dekking, andere polissen kennen juist veel uitsluitingen. Zo wordt in de ene verzekering schade veroorzaakt door ‘eigen gebrek’ expliciet wel gedekt en bij een andere verzekeraar niet. De ene verzekeraar dekt ‘eigen schuld’ en de andere sluit dit juist uit. Beruchte clausules zijn die van de uitsluiting van dekking in verband met ‘onvoldoende onderhoud en onvoldoende zorg’ en de schade veroorzaakt door ‘geleidelijke inwerking van licht en/ of vocht dan wel bepaalde verontreinigingen’. Sommige polissen dekken een ‘van buiten komend onheil’, maar wat verstaan zij daar precies onder?

De echte stresstest voor uw watersportverzekering is vanzelfsprekend het moment dat u de verzekering nodig heeft bij schade. Wat zijn de verplichtingen over en weer bij een schadegeval en hoe gaan verzekeraars in uiteenlopende gevallen met schadeclaims om? De belangrijkste onderwerpen in de polisvoorwaarden lopen we na en illustreren we met een voorbeeld. Zo wordt duidelijk wat er van u verwacht wordt bij een schadeclaim en waar uw kansen liggen.

Eén oorzaak Iedere schade heeft vanzelfsprekend een oorzaak. Ook al zijn er vele omstandigheden die samen tot de uiteindelijke schade hebben geleid, in het verzekeringsrecht geldt dat er slechts één rechtens relevante oorzaak wordt aangewezen die een gedekt dan wel uitgesloten evenement oplevert. Niet altijd is echter duidelijk welke omstandigheden zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. Dit is het grote vraagstuk van de bewijslastverdeling: wat moet een verzekerde aanvoeren om een uitkering te krijgen en wat mag/moet een verzekeraar stellen om uitkering te weigeren? De kernwoorden hierbij zijn ‘van buiten komend onheil’, ‘eigen gebrek’, ‘diefstal’, ‘eigen schuld, opzet en roekeloosheid’. De wet schrijft in het algemeen voor dat de verzekerde als eisende partij in beginsel moet bewijzen dat zijn schade is veroorzaakt door een evenement dat wordt gedekt in de polisvoorwaarden. Bij benoemde schadeoorzaken zal een verzekerde dus een van deze oorzaken moeten aantonen. Maar redelijkheid en billijkheid zijn hier ook op van invloed, het gaat niet alleen om de letterlijke uitleg van de polisvoorwaarden.

Gebrek en onheil.
Verzekeringen spreken van ‘eigen gebrek’ als een ‘minderwaardige eigenschap van een bepaalde zaak die in het algemeen bij zaken van gelijke soort niet verwacht hoeft te worden’. In goed Nederlands: de schade moet vallen buiten dat wat van je van het betreffende voorwerp had mogen verwachten. En normale slijtage telt niet mee als gebrek. De wet sluit in principe schadevergoedingsverplichting vanwege eigen gebrek uit. Mocht eigen gebrek wél zijn meeverzekerd, dan moet dat dus expliciet in de polisvoorwaarden zijn opgenomen. Is eigen gebrek niet gedekt, zoals in de meeste gevallen dus, dan hoeft de verzekerde bij een schade niet meer te stellen dan dat een evenement níet voortvloeit uit een eigen gebrek. In dat geval is er namelijk sprake van een van buiten komend onheil, een tot schade leidend gevaar dat zijn oorsprong heeft ‘buiten’ de verzekerde zaak. Van buiten komend onheil is over het algemeen wel meeverzekerd. Wanneer een verzekerde een claim indient op grond van een verzekerd eigen gebrek, zal dit vaak door een expert/deskundige moeten worden bevestigd. In het geval dat dit eigen gebrek kan worden aangetoond, zal ook uitkering dienen te volgen.

Schip onder water.
Een fraai voorbeeld van een samenloop van vanbuiten komend onheil en eigen gebrek (die overigens in dit geval beide waren verzekerd) is het volgende: meneer Dop geeft opdracht zijn schip vanuit de winterberging te water te laten. Drie dagen later treft hij het schip op de kiel op de bodem van de haven aan. Technisch onderzoek wijst uit dat er een scheur aan de achterzijde van de kiel is en dat door die scheur het water naar binnen heeft kunnen komen. Uitgebreide rapportage leert dat dit soort specifieke zeilschepen een verzwakte kiel/romp-verbinding kent waardoor deze scheur heeft kunnen ontstaan. Verzekerde beroept zich dus op eigen gebrek. De verzekeraar stelt echter dat er sprake is van een schade die is ontstaan op een plaats waar al eerder een reparatie heeft plaatsgevonden. Voorts stelt de verzekeraar dat deze schade niet spontaan kan zijn ontstaan. Nader onderzoek leert dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het schip te hard op de bok is geplaatst en dat daardoor de scheur heeft kunnen ontstaan. een geval van buiten komend onheil dus. De deskundige bevestigt na zijn eerste rapport desgevraagd nogmaals dat op die plaats geen eerdere reparatie heeft plaatsgevonden en dat de schade uitsluitend heeft kunnen ontstaan doordat het laminaat op die plek verzwakt was door de constructiefout. een combinatie van een van buitenkomend onheil en eigen gebrek dus! De rechtbank concludeert tot eigen gebrek, dat is gedekt in de polisvoorwaarden en de verzekeraar moet uitkeren. in dit geval waren zowel eigen gebrek als een van buiten komend onheil gedekt, maar wat zou de verzekeraar hebben gezegd wanneer dat niet het geval was geweest? in dat geval had de verzekerde dus geen uitkering gehad op basis van eigen gebrek en was het zwaartepunt van de discussie komen te liggen op de vraag of er inderdaad een van buiten komend onheil was geweest in de vorm van het te hard opbokken van het schip. en zou de jachthaven wellicht een claim tegemoet kunnen zien.

Bij veel verzekeringskwesties, zoals ook hiervoor beschreven, komt een expert kijken. Sterker nog: bijna iedere schadeclaim wordt door een expert van de verzekeraar onderzocht en bijna altijd volgt de verzekeraar diens standpunt. De invloed van een expert op de bewijslastverdeling is dus erg groot en om die reden dienen de bevindingen van de experts ook kritisch getoetst te worden. Komt een zaak voor de rechter, dan mag die bepalen hoeveel waarde hij hecht aan de bevindingen van een deskundige die de conclusies van de verzekeringsexpert toetst. Maar bij een afwijkend oordeel zal hij dit oordeel toch moeten motiveren.

Diefstal.
Bij een schadeclaim wegens diefstal is het doorgaans lastig om bewijs te leveren van deze diefstal. De boot is weg, wat moet je er nog meer van zeggen? Om die reden wordt in de jurisprudentie aan het leveren van bewijs van de diefstal geen al te zware eisen gesteld. In principe is het doen van aangifte bij de politie voldoende. In een enkel geval, zoals hieronder, voert de verzekeraar feiten en omstandigheden aan die de stelling van verzekerde over diefstal onvoldoende aannemelijk maken. En ligt er bij deze toch een zwaardere bewijslast.

De ruilpartij.
Mevrouw Bos claimt een schade-uitkering wegens verduistering van haar motorschip. Nader onderzoek door de verzekeringsexpert leert dat mevrouw bos in een bepaalde verhouding stond tot ene meneer Dries. Deze meneer Dries zou het schip van verzekerde regelmatig hebben gebruikt en hij zou het ook voor mevrouw bos gaan verkopen. Daarna verdwijnt het schip. Volgens meneer Dries heeft hij het schip met mevrouw bos geruild en wel tegen een partij meubelen. De verzekeraar wijst de schade af met als argument dat er geen sprake is van verduistering, maar kennelijk van een tussen partijen gesloten ruilovereenkomst. en in die verhouding is voor haar geen rol weggelegd. Verzekerde heeft inmiddels aangifte gedaan van verduistering. Zij legt de zaak voor aan het Kifid, het klachteninstituut Financiële Dienstverlening. Die oordeelt dat verduistering is gedekt volgens de polisvoorwaarden en dat aan de bewijslast van verduistering volgens de jurisprudentie geen al te zware eisen gesteld hoeven te worden. Verzekerde hoeft slechts voldoende aannemelijk te maken dat er van verduistering sprake is. Deze aannemelijkheid wordt al gevonden in het feit dat verzekerde aangifte heeft gedaan bij de politie. Het Kifid oordeelt dat verzekeraar gehouden is om tot uitkering over te gaan.

Niet alle gevallen van diefstal worden gedekt. Als verzekerde heb je namelijk in het algemeen een zogenaamde zorgplicht om schade te voorkomen. Dit betekent dat je de normale voorzorgsmaatregelen moet nemen en met betrekking tot de verzekerde zaken de gebruikelijke voorzichtigheid in het oog dient te houden. Ook wordt wel eens gesproken van het begrip ‘zorgdragen als een goed huisvader’.

Meer informatie of oude artikelen downloaden: https://www.anwb.nl/kampioen/algemeen/digitaal-archief

Delen

Frits Hommersom met groene bril

“Je hebt recht op een advocaat die zegt waar het op staat!“

Om de gebruiksvriendelijkheid van de website te optimaliseren wordt gebruik gemaakt van cookies. Wanneer u deze website bezoekt, gaat u akkoord met de privacy- en cookieverklaring.