Jachtbouw Nederland

De bewaarneming nader toegelicht.

Bij de overeenkomst tot bewaarneming ontstaat regelmatig een discussie voor wiens risico het komt wanneer de in bewaring gegeven zaak beschadigd is geraakt. Bewaarneming is in de wet omschreven als ‘de overeenkomst waarbij de ene partij, de bewaarnemer, zich tegenover de andere partij, de bewaargever, verbindt, een zaak die de bewaargever hem toevertrouwt of zal toevertrouwen, te bewaren en terug te geven’. De wet legt vervolgens verschillende verplichtingen op aan zowel de bewaargever als de bewaarnemer, waarbij een van de belangrijkste is dat de bewaarnemer ‘de zorg van een goed bewaarnemer’ in acht moet nemen. Bij schending van deze verplichting bestaat er een principiële aansprakelijkheid voor de daardoor veroorzaakte schade. bewaargevers stellen zich vanzelfsprekend op het standpunt dat deze overeenkomst een zogenaamde resultaatsverplichting is, omdat in de wet onder andere is opgenomen dat de bewaarnemer gehouden is ‘de zaak terug te geven in de staat waarin hij haar heeft ontvangen’. De jurisprudentie is in grote lijnen dezelfde mening toegedaan, maar soms wordt een dergelijke stelling ook wel verworpen. Belangrijk is antwoord op de vraag of de bewaarnemer voldoende zorg heeft betracht.

Winterberging
In de nautische sfeer speelde de kwalificatie van de overeenkomst bijvoorbeeld een belangrijke rol bij die van de winterberging. In het verleden is (met succes) betoogd dat de overeenkomst van winterberging niet beschouwd moet worden als een huurovereenkomst, maar één van bewaarneming, wat verre(verder)gaande verplichtingen met zich brengt voor de bewaarnemer met betrekking tot de zaak die hij in bewaring heeft genomen. Er zijn drie criteria die essentieel zijn om tot bewaarneming te concluderen:
1) er moet sprake zijn van een zaak,
2) de ene partij moet deze zaak toevertrouwen aan de andere partij en
3) de andere partij moet de zaak bewaren en teruggeven.
Over ieder van deze criteria bestaan verschillende opvattingen.
In het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 kwam het tweede criterium aan de orde, namelijk wanneer er sprake was van toevertrouwen van een zaak aan een ander.  

Afspraken over verkoop.
In deze kwestie hadden opdrachtgever en de werf die in dat kader het motorschip bouwde, na aflevering afgesproken dat de werf het schip vanuit haar haven zou verkopen en dat de werf bij verkoop een provisie zou ontvangen. Voorts spraken partijen af dat de werf het schip tot aan de verkoop mocht gebruiken voor beurzen en promotiedoeleinden en daarvoor geen kosten zouden worden berekend. De verkoop lukte niet en nadat de overeenkomst tussen partijen was beëindigd, vorderde de werf een vergoeding voor onder andere stallings- en onderhoudskosten. De opdrachtgever weigerde deze kosten te voldoen, waarna een procedure volgde.

Bewaarneming of niet.
De werf stelde dat, omdat zij als professionele onderneming het schip in bewaring had genomen in het kader van de bemiddelingsopdracht, zij daarvoor kosten in rekening mocht brengen. De opdrachtgever verweerde zich met de stelling dat er geen sprake was van bewaarneming omdat het schip niet aan de werf was toevertrouwd.  Volgens de opdrachtgever moet de werf zich dan over het schip ontfermen in het belang van de bewaargever. Omdat de opdrachtgever het schip kosteloos ter beschikking had gesteld voor beurzen en promotiedoeleinden (waar de werf dus een eigen belang bij had) zou er om die reden geen sprake zijn van bewaarneming.

In cassatie.
Nadat rechtbank en Hof de werf in het gelijk hadden gesteld, ging de opdrachtgever in cassatie en de Hoge Raad  oordeelde dat in de basis het uitgangspunt dat bewaarneming geschiedt in het belang van de bewaargever terecht is, maar ook al wordt tevens het belang van de bewaarnemer gediend, dat niet wil zeggen dat er dan geen sprake kan zijn van bewaarneming. De Hoge Raad overweegt vervolgens: ‘Dat volgt mede uit art. 7:603 lid 1 BW, dat immers – naast het geval dat gebruik van de zaak door de bewaarnemer nodig is om de zaak in goede staat te houden of te brengen – de mogelijkheid erkent dat de bewaargever toestemming geeft voor gebruik van de zaak door de bewaarnemer. Aan die mogelijkheid is niet de restrictie verbonden dat het toegestane gebruik slechts het belang van de bewaargever mag dienen.’ De Hoge Raad verwijst voorts naar de regels van samenloop, op grond  waarvan op een overeenkomst die voldoet aan de omschrijving van twee of meer overeenkomsten, in beginsel de voor elk van die overeenkomsten gegeven bepalingen naast elkaar op de overeenkomst van toepassing kunnen zijn (artikel 6:215 BW). Als voorbeeld noemt de Hoge Raad ‘een overeenkomst die zowel voldoet aan de omschrijving van bewaarneming (met als kenmerk dat deze geschiedt in het belang van de bewaargever) als (…) aan die van bruikleen (waarbij de bruiklener de zaak, binnen de grenzen van art. 7A:1781 BW, in zijn eigen belang mag gebruiken)’.

Haviltexmaatstaf.
Of er sprake is van bewaarneming moet vervolgens worden beoordeeld aan de al decennia lang in de jurisprudentie geldende Haviltexmaatstaf, waarbij alle omstandigheden van het geval moeten worden gewogen en de bedoeling van partijen vooropstaat en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten, ook al zou letterlijke tekst van een overeenkomst iets anders impliceren. In dit geval was het niet onredelijk dat de werf stallingskosten in rekening gebracht had, omdat deze kosten ook waren gemaakt in het kader van de opdracht van de verkoop van het schip, ook al mocht de werf daarnaast het schip gebruiken voor promotie- en beursdoeleinden.
Conclusie: de opdrachtgever moest de facturen van de werf betalen!

Delen

Frits Hommersom met groene bril

“Je hebt recht op een advocaat die zegt waar het op staat!“

Om de gebruiksvriendelijkheid van de website te optimaliseren wordt gebruik gemaakt van cookies. Wanneer u deze website bezoekt, gaat u akkoord met de privacy- en cookieverklaring.